next up previous contents
Next: Appendix: de organisatie van Up: rapportage Previous: Algemene opmerkingen op grond


Samenvatting en toekomstperspectief

De ervaringen van de eerste experimentele periode van het LC wijzen uit dat er ruimte is voor een relatief klein en flexibel bezoekersinstituut in Europa, naast de relatief grotere en duurdere bestaande instituten. De niche die op natuurlijke manier door de behoeftes vanuit de wetenschap voor het LC ontstaan is, is die van een gastinstituut voor kortere workshops van ruwweg één tot drie weken. Door de sterke inbedding in een bestaande universitaire omgeving is het LC flexibel en relatief goedkoop, en kunnen alle externe fondsen geheel gebruikt worden voor ondersteuning van de wetenschappelijke aktiviteiten.

De faculteit W&N van de Universiteit Leiden is overtuigd van het belang van het LC, en wil graag samen met NWO en FOM een stategie voor de toekomst bepalen. Daarbij ziet zij twee opties.

De eerste optie, waar de Universiteit Leiden de voorkeur aan geeft, is om in essentie de huidige opzet te vervolmaken en formeel te regelen. In concreto zal hierbij aandacht moeten worden geschonken aan de volgende aspecten:

     
  $\bullet$ Voor de uitvoering van het wetenschappelijke programma dient een basisbudget van voldoende omvang beschikbaar te zijn. Te denken valt aan een bedrag van in totaal k$f$ 600 per jaar. Een budget van deze omvang geeft voldoende armslag om met een (inter)nationale call for proposals te komen.  
  $\bullet$ De wetenschappelijke inbedding in Nederland moet formeel geregeld worden. Te denken valt aan de benoeming door NWO en FOM van een nieuwe Wetenschappelijke Raad, die de direkteur adviseert over het programma en een aktieve rol speelt bij het entameren van workshops.  
  $\bullet$ Er dient een duidelijke keuze gemaakt te worden met betrekking tot de verhouding tussen diverse aktiviteiten, zoals open workshops, AIO scholen, workshops van EU-TMR netwerken, etc.  
  $\bullet$ Er dient een duidelijke regeling getroffen te worden voor de positie van de direkteur; naar schatting neemt het direkteurschap 30 tot 40% van de tijd van een hoogleraar. Te denken valt aan een benoeming van deze omvang door de UL van een van haar hoogleraren, in samenspraak met NWO en FOM. Indien het wenselijk geacht wordt een hoogleraar van een andere universiteit als direkteur aan te trekken, zal hiervoor een aparte regeling getroffen moeten worden.  
  $\bullet$ De rol en inbreng van de UL zal moeten worden vastgelegd, bijvoorbeeld in de vorm van een convenant tussen NWO, FOM en de UL. Dit betreft enerzijds afspraken over de materiële inbreng van de UL (huisvesting, staf), en anderzijds afspraken over het gebruik van de faciliteit voor vanuit de bètafaculteit van de universiteit geëntameerde bijeenkomsten.  
     

De tweede optie voor de toekomst is het LC verder uit te bouwen, hetzij in organisatorische zin tot een gezamenlijk FOM/NWO instituut gehuisvest aan de UL, hetzij in wetenschappelijke zin door het aantal deelnemende vakgebieden uit te breiden. Bij een verandering van de organisatorische structuur kan men denken aan instituut met een extern benoemd direkteur, en wellicht de mogelijkheid om postdoc posities, vaste senior onderzoeksposities of speciale langdurige fellowships te creëren. In een dergelijke constructie zal ook de staf van het LC aanzienlijk moeten worden uitgebreid. Men dient zich af te vragen of een dergelijke uitbreiding meerwaarde heeft en werkbaar is, en of die in verhouding staat tot de vergroting van de financiële inspanning die daar voor nodig is. Bij een discussie over de uitbreiding van de vakgebieden waar het LC zich met de samenstelling van het programma op richt, dient men zich te bedenken dat het werkterrein van het LC nu al veel breder is dan dat van andere studiecentra. Bovendien bestaat het gevaar dat verbreding leidt tot te grote verdunning, zodat de herkenbaarheid van het LC verloren gaat.


next up previous contents
Next: Appendix: de organisatie van Up: rapportage Previous: Algemene opmerkingen op grond
Erik Deul
2001-08-23